
Kornel Filipowicz, Memoir van een antiheld. Vertaald uit het Pools door Karol Lesman. (Zirimiri Press, 2026) 144 blz., € 22,50.
Het is een mooie dag in augustus, in een ‘bevallig plaatsje aan de voet van de bergen’, als de oorlog uitbreekt in het leven van de ik-figuur in het boek, de antiheld uit de titel. Vrijwel alle zomergasten pakken hun koffers en vertrekken met vertraagde treinen. Maar de ik-figuur niet. ‘Ik hield mezelf voor dat wat de meeste mensen deden, niet noodzakelijkerwijs datgene was wat men diende te doen – en ik bleef.’ En zo ziet hij enkele dagen later vanaf zijn balkonnetje aan de straatkant de Duitsers binnentrekken.
‘Hun uitrusting, discipline, beweging, oriëntatie waren verbazingwekkend, dit was meer dan een zegevierend leger. De Polen, die ik weldra alleen nog als krijgsgevangenen zag, waren minder dan verslagenen, zij waren vernietigd, uitgeroeid.’
Al is hij zelf geen held, een mening over helden heeft hij wel. ‘Moet dat nu een held voorstellen’, vraagt hij zich af wanneer hij een in elkaar geslagen onderwijzeres observeert die op Duitsers heeft geschoten. ‘Ze zag eruit als een natte kip.’ Nee, dan die Duitse officieren, met hun bril met gouden montuur en hun rustige, menselijke gezichten!
In kraakhelder proza schetst Filipowicz in deze “microroman” de verdere lotgevallen van de antiheld, die al snel besluit tegen elke prijs te overleven. Want wie zegt dat de Duitsers de oorlog zullen verliezen? En waarom zou hij dan een held zijn? ‘Niemand heeft het recht om heldendom van mij te eisen; niemand heeft het recht om te eisen dat ik tot het einde van mijn dagen tramconducteur, conciërge of bewaker bij een vrachtbedrijf blijf, oftewel een niemendal. Mijn leven, mijn welzijn is mijn grootste goed, basta. Niemand heeft het recht om dat in twijfel te trekken. Ik wil leven, ik wil goed leven en iemand zijn. Ik wil er zeker van zijn dat ik niet zal worden vervolgd, gestigmatiseerd, als een lagere categorie wezen behandeld. Ik heb geen gevoel van solidariteit met vervolgde wezens, ze vervullen me met weerzin!’, denkt hij ergens. ‘Ik had veel Joodse kennissen, met sommigen was ik zelfs vrij intiem, maar uiteindelijk liet hun lot me onverschillig.’

Maar kan hij dat, “goed leven” en “iemand” zijn? Kan hij passief aan de kant blijven staan? En wat betekent dat dan voor zijn ‘goede’ leven? Uiteindelijk blijkt de ik-figuur niet alleen een toekijkende omstander te zijn. Ook hij wordt de gebeurtenissen van de oorlog in gezogen. Is hij een Pool? Of toch een Duitser? Uiteindelijk wordt hij na de oorlog van collaboratie vrijgesproken. Weer veilig thuis schiet hem dan toch die ene gedachte door het hoofd. ‘Misschien koesterde ik diep van binnen een verborgen wrok tegen de wereld en de mensen, omdat ik niet, zoals vaak in oorlogstijd gebeurt, tegen mijn wil tot een heldendaad was gedwongen? Misschien heeft een leven dat zo’n avontuur ongeschonden doorstaat, later voor iemand een ongewone, bijzondere waarde?’
Was een andere keuze wellicht mogelijk geweest?
*
Zelf had de schrijver Kornel Filipowicz een heel ander oorlogsverleden dan de antiheld in zijn microroman. In 1939 vocht hij tegen de nazi’s, werd krijgsgevangen gemaakt, wist te ontsnappen. Later sloot hij zich aan bij Volks-Polen, een ondergrondse groep van linkse intellectuelen. In april 1944 werd hij gearresteerd en kwam hij in de kampen Gross-Rosen en Sachsenhausen terecht. Na de oorlog zou hij zich alleen nog aan de literatuur wijden.
In 1947 verscheen zijn bundel met gedeeltelijk autobiografische verhalen, Krajobraz niewzruszony (Onbewogen landschap). Daarna publiceerde hij nog twee romans, waarna in 1961 Memoir van een antiheld verscheen. Het was enkele jaren na de dooi, in de kunsten was de ‘Poolse lente’ aangebroken. Dat betekende het einde van het socialistisch realisme en bracht hernieuwde aandacht voor psychologische onderwerpen én een kritische blik op politieke en morele kwesties in literatuur, film, theater en beeldende kunst. Kunstenaars lieten de traditionele, heroïsche en nationalistische oorlogsmotieven los die tot dan toe het dominante beeld bepaalden. Filipowicz bleef een onafhankelijk denker, die ook na de Poolse Lente te maken kreeg met de censuur van het communistische regime. Uiteindelijk publiceerde hij ruim dertig boeken, waaronder romans, verhalenbundels, dichtbundels en filmscenario’s. Memoir van een antiheld is zijn eerste werk dat in het Nederlands is vertaald.
*
In 1945 trouwde Filipowicz met beeldend kunstenaar Maria Jarema, die in 1958 veel te jong overleed. Enkele jaren na de verschijning van Memoir van een antiheld kreeg hij een relatie met de latere Nobelprijswinnares Wisława Szymborska. Ze waren 23 jaar samen, maar zouden nooit bij elkaar wonen. ‘We waren paarden die naast elkaar galoppeerden’, zei Szymborska hierover. Aan die LAT-relatie hebben we een prachtige correspondentie te danken: Najlepiej w życiu ma twój kot (In jouw leven heeft jouw kat het nog het beste). Honderden briefjes, schetsjes, kaarten, plaksels en brieven getuigen van een sprankelende en originele liefde. De twee beleefden vele kampeervakanties, geïnitieerd door Filipowicz, die een gepassioneerd visser was.
Na het overlijden van Filipowicz in 1990 zou Szymborska volgens haar biografen nooit meer naar muziek luisteren en ook nooit meer haar geliefde kaartspel ‘staarten’ spelen. Over het verlies van Filipowicz schreef ze verschillende gedichten, zoals het aangrijpende gedicht ‘Een kat in een lege woning’, dat in de vertaling van Gerard Rasch zo begint:
Doodgaan – dat doe je een kat niet aan.
Want wat moet een kat
In een lege woning beginnen. Tegen de muren op lopen.
Langs de meubels wrijven.
Zogenaamd niets veranderd,
maar toch alles anders.
Zogenaamd niets verplaatst,
maar toch alles opzij geschoven.
En ’s avonds schijnt de lamp niet meer.
Toen haar vertaler Stanisław Barańczak haar jaren later vroeg of hij ‘Een kat in een lege woning’ mocht gebruiken als titel voor een Amerikaanse uitgave van haar gedichten, schreef ze hem: ‘Iedere titel is goed, maar niet deze’. En later: ‘Ik had dit gedicht liever nooit geschreven willen hebben, maar omdat ik het toch moest doen, laat het stil zijn in het midden van het boek.’
Toen Szymborska op donderdag 3 oktober 1996 te horen kreeg dat haar de Nobelprijs voor Literatuur was toegekend, zou ze hebben uitgeroepen ‘Maar die had Kornel moeten krijgen!’ ‘Volgens mij’ schrijft vertaler Karol Lesman in zijn nawoord, ‘kwam die kreet voort uit Wisława’s oprechte eerbied en diepe ontzag voor en de stellige overtuiging van het grote schrijverstalent van de schrijver van Memoir van een antiheld.’
Is dat ook een impliciete belofte van Karol Lesman aan ons, de lezer? Kom maar door met de vertalingen van het hele oeuvre van Filipowicz!
