Magazine over Midden- en
Zuidoost-Europa

Afgelopen zondag verpletterde Péter Magyar en zijn Tisza-partij de zittende premier Viktor Orbán. Een persoonlijk verslag van Jeroen van Drunen. ‘Ah, democracy, nice.’

1.779 woorden
8–11 minuten

Het is een onwerkelijke aanblik op de snelweg bij het Balaton-meer, richting Boedapest. Normaal gesproken is rond deze tijd, een zondagavond in de lente, het verkeer een vastgelopen bende van stedelingen die na een weekendje aan het water weer naar huis moeten. De knorrigheid over het einde van het weekend is dan zichtbaar én hoorbaar, met grote gebaren en getoeter van ongeduldige chauffeurs. Nu doet de onwerkelijke rust denken aan de COVID-tijd. Het asfalt is leeg, en ook bij de pompstations valt geen activiteit waar te nemen.

In Boedapest zelf is het even later al niet veel anders: de perrons van de metro zijn verlaten. Pal na mijn aankomst om zeven uur ‘s avonds werden de stemlokalen gesloten, en de eerste uitslagen komen pas een uur later. Ook daarna duurt het waarschijnlijk nog eindeloos voordat er echt duidelijkheid zal zijn. Dan meldt zich per app Réka, mijn jonge buurvrouw uit ons piepkleine dorpje in het arme noord-oosten van Hongarije. Ze werkt bij staatsbosbeheer, net als haar man, en heeft drie jonge kinderen. Ik geef haar eenmaal in de week Engelse les, en als haar spreekvaardigheid middels de dorpsroddels op stoom is gekomen, schakelen we nog wel eens over op de politiek. Voor Orbán en Fidesz heeft ze geen goed woord over. De corruptie, de diefstal, de hielenlikkerij: ze walgt ervan.

Vijftig inwoners

In ons dorp van vijftig inwoners zijn de stemmen in een paar minuten geteld. Aangezien buurman Ernő de voorzitter van het stembureautje is en bovendien goed bevriend met het gezin van Réka, heeft ze misschien wel de eerste uitslag van het land te melden. Die is veelzeggend. In ons immer conservatieve Fidesz-dorp heeft Tisza 28 stemmen binnengehaald, en Fidesz maar achttien. Ik moet het twee keer lezen om mezelf te overtuigen. Dit is echt groot nieuws. Mijn hoop slaat om in overtuiging: Péter Magyar gaat met zijn Tisza-partij de verkiezingen winnen.

Toch blijf ik gespannen. Zal die winst genoeg zijn voor de absolute meerderheid die nodig is om Orbán’s dictatoriale maatregelen terug te draaien? En zal Orbán zijn verlies toegeven? In heel Boedapest hangt de spanning van het zweethok naast een examenlokaal. In een café aan de Béla-Bartókweg drinken mijn vrienden en ik een biertje, en doen we alsof we niet de hele tijd op die telefoons kijken. We bereiden ons voor op een lange nacht vol nagelbijten en onzekerheid.

Het loopt anders. Om half tien gooit Viktor Orbán officieel de handdoek in de ring. Wat? Nu al? Zo maar? Gejuich, omhelzingen, geschreeuw. Sommige vrienden hadden verlekkerd gehoopt op een helikopter-exit met Ceaușescu-achtige allure en ervaren een anticlimax. Kan zestien jaar chagrijn zomaar en één klap zijn afgelopen? Dan ontwaakt ook de straat. Gejuich stijgt op, autoclaxons nemen al snel de cadans aan van de kreet ‘Vie-ze-Fi-desz!’ Niet veel later staan we in een volle tram op weg naar het Batthyány-plein, waar de overwinning zal worden gevierd. Het lijkt wel Nieuwjaar en het WK voetbal tegelijk. Iedereen zeult bubbels mee, heeft vlaggen om de schouders geslagen, zingt, scandeert, praat opgewonden tegen elkaar aan. Twee jongens houden hun vriend overeind, die duidelijk al wat eerder heeft geproost op de overwinning. Hij kan nog net een paar keer “Tisza!” brullen, voordat hij met vlag en al over de tramzitjes kiepert. Lachende omstanders zetten hem weer op zijn wankele benen. Twee jonge meisjes vertellen ons spontaan dat ze niets anders kennen dan het Orbán-regime, duwen ons een Tisza-vlag in de hand en maken foto’s van ons, met, en van elkaar. Ons vriendengroepje stuwt de gemiddelde leeftijd in de tram flink omhoog, maar dat deert geen mens.

Overwinningsspeech

Ver voor het Batthyány-plein komt de tram al niet meer verder. Te voet lopen we de zich verdichtende menigte in, ontmoeten stomtoevallig nog meer vrienden en vergapen ons samen aan
de iconische kettingbrug, die prachtig is verlicht in de Hongaarse driekleur. In de verte zien we een enorm scherm en horen we de stem van Péter Magyar. We blijken precies op tijd te zijn aangekomen om zijn overwinningsspeech te horen. De puike organisatie verraadt dat Tisza wel degelijk op de overwinning heeft gerekend: er zijn kraampjes met Tisza-vlaggen en boeken over Magyar, en het podium waarop de winnaar zijn toespraak afsteekt is fotogeniek geplaatst aan de rivier, met pal aan de overkant het parlementsgebouw. Vanaf het dak wordt vuurwerk afgestoken, de duizenden toeschouwers voor het podium dragen brandende fakkels. Hier is goed over nagedacht. De speech zelf biedt weinig verrassends: veel dank voor alle steun, de belofte van een nieuw Hongarije voor iedereen, de terugkeer van de rechtsstaat. Magyar lijkt onvermoeibaar, en ik zeg tegen vriend Endre dat het wel érg lang duurt. ‘Ik snap hem wel’, bromt Endre. ‘Zodra die speech is afgelopen, moet hij aan die enorme rotklus gaan beginnen.’

Als Magyar eindelijk afrondt en onze fles lauwe bubbels leeg is, begin ik aan de lange wandeling naar huis. Het openbaar vervoer rijdt niet meer, taxi’s zijn niet te krijgen. Ook al heb ik nog zes kilometer af te leggen, het is heerlijk om nu door feestelijk, rommelig, lawaaiig en uitgelaten Boedapest te lopen. Aan het begin van de Andrássy-boulevard spreekt een viertal Amerikaanse jongens me aan. Heb ik misschien enig idee wat er vanavond aan de hand is in Boedapest? Uit het veld geslagen door zo weinig benul vat ik maar even samen wat voor periode van zestien jaar vanavond is afgesloten. ‘Ah, democracy, nice’, mompelt een van de jongens tevreden, en ze kuieren verder.

Appetijtelijker verpakking

Ik ontwaak na een korte nacht met de galm van de laatste overwinningskreten in de verte. Als ik weer buiten ben, ligt de symboliek letterlijk op straat: bijna alle Fidesz-plakkaten zijn van lantaarnpalen getrokken, de glimlachende gezichten besmeurd met vuile voetstappen, sigarettenpeuken en weinig vleiende opschriften. Ik bel Dóra maar eens, mijn goede vriendin sinds meer dan dertig jaar, snel, geestig en altijd goed voor een paar nieuwe inzichten. Bij een kop koffie verdwijnen de laatste nevelen van de afgelopen nacht, en de euforie straalt van haar gezicht. ‘Ik heb me jarenlang kapot geschaamd om Hongaarse te zijn, en nu zijn we bij toverslag helden’, spint ze tevreden. Ik kan het niet nalaten om haar te wijzen op alle reserves die ze bij Magyar had, en hoe ze hem ervan had verdacht een volgende Orbán te zijn in een wat appetijtelijker verpakking. Dat ontkent ze niet, maar ze heeft zich bekeerd tot een pragmatischer visie. ‘Luister, als je in een rolstoel zit op de derde verdieping van een brandend gebouw, sla je een helpende hand ook niet af als die vastzit aan een brandweerman die je type niet is. Nou, Magyar is mijn brandweerman’. Die brandweerman heeft daarnaast haar diepe respect afgedwongen door het afgelopen jaar zes keer per dag op een zeepkist in telkens weer een ander boerengat te stappen om mensen te mobiliseren tegen zijn onoverwinnelijk geachte tegenstander. We nemen het afgelopen etmaal nog even door, maar Dóra’s blik blijft afdwalen naar het scherm van haar telefoon.

Als ik weer thuis ben, is het tijd voor een volgend belletje, dat met “de freule”. Hoewel die titel strikt gezien niet klopt, is Éva van ruim over de tachtig een nazaat van de edelman die ooit ons landhuis liet bouwen. Toen wij de renovatie hadden voltooid, zochten wij contact met de familie om hen uit te nodigen. Sindsdien heeft zich een hartelijk contact ontwikkeld met Éva uit Boedapest, die jaarlijks naar ons dorpje afreist om bloemen te leggen op de zerk van haar grootvader en dan met haar broer komt borrelen. Onze conversatie kende eigenlijk maar één struikelblok: Éva’s complete toewijding aan Orbán. Ooit was zij te gast op een dorpsfeest dat wij hadden georganiseerd, en had de beroerde staat van de weg naar het dorpje haar zwaar verontwaardigd. ‘Ik stuur Viktor ieder jaar een verjaardagskaart’, sprak ze vastbesloten, ‘en aangezien het weer bijna zo ver is, zal ik hem zeggen dat er dringend iets aan die weg gedaan moet worden’. Of het toeval was zullen we wel nooit kunnen achterhalen, maar amper een paar maanden later was de weg geheel vernieuwd.

Ook nu haar gezondheid brozer wordt, belt ze iedere paar maanden uitgebreid op om naar ons welbevinden te informeren en haar groeten over te brengen aan onze naasten met wie zij kennis
heeft gemaakt. Steevast vraagt ze dan wanneer we haar weer eens komen opzoeken. Nu ik in Boedapest ben, lijkt de tijd daar rijp voor. Als ze de telefoon opneemt, klinkt Éva dof. Een begroeting kan er maar net af, en als ik vraag hoe ze het maakt, valt ze met de deur in huis: “We zijn allemaal compleet teneergeslagen dat Viktor Orbán de verkiezingen heeft verloren.” Ik zeg maar weer eens dat ik er anders tegenaan kijk. ‘Oh, jij denkt dus dat het wel mee zal vallen met die Magyar?’ Mijn voorstel om haar te komen bezoeken sorteert niet het gebruikelijke enthousiasme. ‘Ik voel me niet lekker, de volgende keer maar.’ Ik krijg amper de gelegenheid om het gesprek netjes af te sluiten voordat ze de verbinding verbreekt.

Freule

Vrij perplex blijf ik met de telefoon in mijn hand zitten. Éva heeft overduidelijk geen zin in mijn gezelschap, en dat is voor het eerst. Als ik eerlijk ben, had ik haar waarschijnlijk niet gebeld als Orbán had gewonnen. In dat geval zou ik haar gejubel niet hebben verdragen. Zij voelt zich blijkbaar precies zo.
Die avond eet ik met vriendin Tünde op een terrasje tijdens de nogal koel uitgevallen voorjaarsavond. Na het opgewonden begin van ons gesprek (‘Waar was jij toen je hoorde dat…?’) moet me de situatie met de freule toch van het hart. Tünde onderbreekt me al snel. ‘Oh, mijn moeder is precies zo. Altijd Fidesz gestemd, helemaal in de ban van de propaganda en de bangmakerij. Orbán heeft Magyar altijd neergezet als de duivel zelve, en voor de mensen die meegingen in dat verhaal is het nu alsof de wereld vergaat.’

Tegen de tijd dat ik aanstalten maak om Boedapest weer te verlaten, begint de euforie langzaam plaats te maken voor allerlei vragen die deze vage transitie-periode oproept. Ik hoor Péter Magyar zijn eerste interview geven op de staatsradio, waar hij volgens eigen zeggen tijdens de regeerperiode van Orbán niet welkom was geweest. Hij spreekt mooie woorden over hoe hij de mediapluriformiteit gaat terugbrengen, ook naar de staatsradio. De journalist van dienst voelt zich duidelijk aangevallen, beweert dat Magyar wél was uitgenodigd, en het gesteggel tussen de twee zegt veel over wat nog komen gaat. De Fidesz-minister van Buitenlandse Zaken, berucht om zijn innige relatie met Moskou, houdt zich op in het ministerie waar hij in hoog tempo documenten zou versnipperen. Dóra stuurt me een screenshot van een webwinkel met een uitgebreide collectie papiervernietigers: alle modellen uitverkocht.