Magazine over Midden- en
Zuidoost-Europa

De partizanen staan nog steeds op een voetstuk in Albanië, al schiet rondom de standbeelden het gras hoog op tussen de tegels. Bij een rondreis door Albanië zijn ze niet te missen, net zo min als de betonnen bunkers die getuigen van de paranoia van dictator Enver Hoxha.

2.149 woorden
9–14 minuten

De eerste bunkertjes die ik zie in Tirana zijn van een witte, granietachtige steen. Door het rode ronde stickertje met Albanese vlag bovenop de ronding zijn het net borsten met tepels. De minibunkers worden als souvenir verkocht in een boekwinkel aan het Skanderbegplein in de Albanese hoofdstad. Er zijn ook grotere, die een asbak afdekken. Door het schietgat in het koepeltje kan een sigaret worden gestoken.

Nog geen kwartier lopen verderop ligt de eerste echte bunker, op de hoek van een parkje aan de Bulevardi Dëshmorët e Kombit, de boulevard van Martelaren van de Natie. De boulevard is in 1940 aangelegd onder Italiaans regime. Troepen van dictator Mussolini waren op 7 april 1939 geland in Albanese havens, waarna Albanië als een van de eerste landen door de Asmogendheden werd bezet. De boulevard eindigt in een plein, omgeven door de strenge fascistische façades van onder Italiaans bewind opgetrokken overheidsgebouwen.

Het betonnen verdedigingswerkje aan de boulevard maakt deel uit van The Checkpoint, een kunstwerk dat in maart 2013 is onthuld als Monument voor het Communistisch Isolement, aldus een bordje. Het gedenkteken bestaat uit drie betonstructuren. Achter de bunker staat een stuk Berlijnse muur afkomstig van de Potsdammer platz en daarnaast een rijtje betonnen jukken uit een mijngang bij het beruchte werkkamp bij Spaç, in de Noord-Albanese bergen. Drie betonnen bouwsels als symbool voor drie aspecten van totalitaire regimes: paranoia, isolement en onderdrukking.

Monument Checkpoint met bunker bij ingang van voormalige regeringswijk Blloku in Tirana. Foto: Ruurd Kok

Een trappetje geeft toegang tot het met namen en graffiti volgekladde bunkertje. De voorste helft van de koepel is van gietstaal en voorzien van twee schietgaten, die vlak boven het trottoir zicht geven op voorbijgangers. Achter elk schietgat bevindt zich nog de steun voor een wapen. De bunker bewaakte de hoofdingang van Blloku, de afgesloten wijk waar dictator Enver Hoxha woonde te midden van hoge partijfunctionarissen. Tegenover deze voormalige regeringswijk, aan de overzijde van de boulevard, ligt de pyramide die de dochter van Hoxha liet oprichten als museum ter ere van haar op 15 april 1985 overleden vader.

Hoxha stond aan het hoofd van de partizanen die op 28 november 1944 de Albanese hoofdstad wisten te bevrijden. De bevrijding van Tirana was van historische betekenis, omdat het de eerste Europese hoofdstad was die bevrijd werd door partizanen, zonder hulp van geallieerden, aldus een tekst in het Nationaal Historische Museum aan het Skanderbegplein.Monument Checkpoint met bunker bij ingang van voormalige regeringswijk Blloku in Tirana. Foto: Ruurd Kok

Terwijl de standbeelden van Hoxha na de val van het communistische regime begin jaren negentig uit het straatbeeld zijn verdwenen, staan de partizanen nog overal in het land op een voetstuk. Hun outfit is uniform: lage schoenen met hoog opgetrokken kniekousen, een patroongordel om hun middel, sjaaltje om de hals en een baret of legermuts met vijfpuntige ster. De partizanenbeelden verschillen in formaat en houding. De variatie zit vooral in de houding van de vrije arm, zonder geweer.

De meer dan levensgrote partizaan die vanaf een heuvel uitkijkt over de stad Korçë in het zuidoosten van Albanië houdt zijn linkerarm met gebalde vuist recht omhoog. Zijn rechterhand omklemt stevig de loop van het geweer waarvan de kolf naast zijn rechterschoen op de grond rust.

Standbeeld van partizaan op begraafplaats voor ‘martelaren van het vaderland’ in Korçë. Foto: Ruurd Kok

Het standbeeld vormt het middelpunt van de partizanenbegraafplaats van Korçë. Brede monumentale trappen voeren vanuit de stad de heuvel op. Op de vervallen en overwoekerde treden glinsteren glasscherven in de felle middagzon. De begraafplaats zelf is beter onderhouden. Spierwitte graven en grafstenen spreiden zich uit over uitwaaierende terrassen rond het plein met partizanenstandbeeld. ‘Eer aan de martelaren van het vaderland’, staat in grote letters op een gebouwtje. Pas van dichtbij is te zien hoe enorm het beeld is, hoe stevig de handen en hoekig de schouders zijn.

In het hoge gras tussen de graven groeien rozen en andere roze bloemen. Hier liggen slachtoffers uit zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog. De ‘marterlaren van het vaderland’ zijn niet alleen in de strijd gevallen. Dicht bij het standbeeld liggen op de eerste rij enkele prominente partijleden. Hun namen en levensjaren zijn in goud geschilderd en voorzien van een gouden medaille in de vorm van een vijfpuntige ster, de onderscheiding Held van het Volk. De in 1931 overleden schrijver en verzetsstrijder Mihal Grameno was een van de afgevaardigden uit Korçë bij het uitroepen van de Albanese onafhankelijkheid op 28 november 1912 na de opstand tegen de Ottomaanse overheersing. Naast hem ligt Ali Kelmendi die in de jaren dertig naar Albanië was gestuurd om de communistische beweging op te zetten en overleed in 1939. Enkele graven met recentere overlijdensdata in 1949, 1954 en zelfs 1985 lijken later te zijn bijgeplaatst.

In het centrum van Korçë liggen enkele bunkers rond een hotel in een park. De camouflageschildering verhelpt niet dat de betonnen bouwsels enorm opvallen in het groen. De bunkerbouw startte eind jaren zestig, toen de vrees voor een inval van Sovjettroepen toenam na de invasie van het Warschau Pact in Tsjechoslowakije in 1968. Albanië had in 1948 gebroken met Joegoslavië en in 1961 ook met de Sovjet-Unie. De bunkers dienden niet alleen ter verdediging bij een invasie, maar ook om de angst voor het buitenland aan te wakkeren onder de eigen bevolking.

Twee beschilderde bunkers in park in centrum van Korçë. Foto: Ruurd Kok

Nadat Hoxha’s laatste bondgenoot China in 1978 de relatie verbrak, raakte Albanië geheel op zichzelf aangewezen en volledig geïsoleerd. Vanaf dat moment nam de bunkerproductie nog verder toe en begonnen betonfabrieken mallen te gebruiken voor het maken van de koepels. De gladde koepels van de bunkers in het park in Korçë zijn duidelijk in een mal gegoten en aan hijsogen op hun plek getakeld. De productiewijze waarbij de koepel bestaat uit losse segmenten lijkt vooral te zijn toegepast op lastig bereikbare plaatsen. Het totaal aantal geproduceerde bunkers is onbekend en schattingen variëren van 400.000 tot 600.000, terwijl ook aantallen van 1 miljoen worden genoemd.

Zo opvallend als de partizanenbegraafplaats van Korçë ligt op een heuvel uitkijkend over de stad, zo bescheiden is de plek van de kleine oorlogsbegraafplaats van Ersekë, een klein uur rijden naar het zuiden. De ruim honderd graven liggen langs de doorgaande weg die hier in de vlakte tussen de bergen voert. Het partizanenbeeld wordt hier geflankeerd door een hoge kolom van roze steen, met een rode ster. Het gras schiet hoog op tussen de tegels voor het standbeeld en in de paden tussen de graven. De partizaan is hier kleiner van formaat, de rechterarm gebogen met de gebalde vuist naast het hoofd, het geweer in de linkerhand, horizontaal aan zijn zijde.

Oorlogsbegraafplaats even buiten Ersekë. Foto: Ruurd Kok

Zijn strijdmakker die nog geen tien minuten zuidelijker langs de weg staat, oogt meer ontspannen. Zijn linkerhand rust beschermend om de schouder van een meisje, het geweer hangt over zijn rechterschouder. De linkervoet staat op een Duitse helm. Het beeld staat voor een gesloten gebouwtje in het plaatsje Borovë. Het is opgericht naast de begraafplaats waar de slachtoffers liggen van het bloedbad van 6 juli 1943. Die dag werden 107 burgers gedood als vergelding van een aanval van partizanen op een Duits konvooi, dat via het op dat moment nog door Italië bezette Albanië onderweg was naar het door Duitsland bezette Griekenland. Bij de aanslag kwamen zestig Duitsers om het leven, waarna Duitse troepen met vlammenwerpers naar het nabijgelegen dorpje Borovë trokken. Alle inwoners die ze konden vinden werden ter plekke doodgeschoten, of opgesloten in de dorpskerk en levend verbrand. De slachtoffers waren vooral ouderen, vrouwen en kinderen, de jongste vier maanden oud, de oudste tachtig. Voor hun vertrek staken de Duitsers de huizen in brand. Het bloedbad geldt als het zwaarste vergrijp van de Wehrmacht tegen burgers in Albanië.

Begraafplaats in Borovë met de slachtoffers van het bloedbad van 6 juli 1943. Foto: Ruurd Kok

Van de stenen van de verwoeste huizen is in de jaren negentig een ringmuur aangelegd rond de begraafplaats op de heuvel naast het dorp. In die jaren kregen de slachtoffers ook een eigen steen, aldus de website Gedenkstättenportal zu Orten der Erinnerung in Europa. De stenen van verschillende grootte staan in cirkels bij elkaar, als markering van de verschillende leeftijden en de families. Bij één familie liggen rode bloemen. Op de ringmuur zijn twee reliëfs aangebracht, van schietende Duitse militairen en van burgers, jong en oud. Een derde reliëf bij de ingang toont de bijeengedreven slachtoffers. Het is afkomstig uit een groot monument in Stalinistische stijl, dat herdacht dat hier het eerste Albanese verzet plaats vond tegen de nationaalsocialistische overheersing. Ook het standbeeld van de partizaan en het meisje maakte oorspronkelijk deel uit van dat verdwenen gedenkteken, evenals een zuil met rode ster.

Bunkers van groter type even buiten Leskovik. Foto: Ruurd Kok

Een uur zuidelijker ligt Leskovik, in de bergen op zo’n 7 km van de Griekse grens. Op ruim 900 m is het een van de hoogstgelegen steden van Albanië. In open terrein buiten het stadje ligt een rijtje van vier grote bunkers, als betonnen iglo’s. Een tweede rijtje van vier ligt op een heuvel aan de overzijde van de weg die hier tussen de bergen door omhoog gaat. Deze bunkers zijn van een groter type, aan weerszijden voorzien van dubbele betonnen deuren waardoor geschut of een voertuig naar binnen kon worden gereden. Op de deuren zijn nog als camouflage aangebrachte bruine en groene verfstrepen zichtbaar. Dor gras tooit de bovenzijde van de bouwsels.

Een klein jaar na het bloedbad in Borovë kwamen de verschillende communistische verzetsgroepen bijeen in Përmet, een stadje in het dal van de helderblauwe, snelstromende Vjosa-rivier, op een uur rijden van Leskovik. Tijdens het Congres van Përmet op 24 mei 1944 maakten communistische leiders afspraken over een voorlopige regering, met aan het hoofd Enver Hoxha. Een monument in het centrum van de stad herinnert aan die bijeenkomst, met een wijdbeens staande partizaan, de borst fier vooruit, het geweer over de rechterschouder, de linkerarm met gebalde vuist naast het lichaam.

Na de capitulatie van Italië op 8 september 1943 werd Albanië bezet door Duitse troepen. Aan de rand van Përmet herinnert een verlaten kazernecomplex nog aan de Italiaanse aanwezigheid. Op een wand in een van vervallen gebouwen staat een tekst van Mussolini, ter meerdere eer en glorie van de infanterie. De tekst eindigt met de woorden: ‘Wie “infanterie” zegt, spreekt over het beslissende element van veldslagen en oorlog: zowel vandaag als gisteren, zowel morgen als vandaag en altijd.’

Monument in Përmet ter herinnering aan oprichting van ‘aanvallende brigade’ op 26 januari 1944. Foto: Ruurd Kok

Een monument aan de overkant van de rivier gedenkt de partizanen van de ‘aanvallende brigade’, opgericht op 26 januari 1944, ‘in de dagen van de winteroperatie, toen hevige gevechten plaatsvonden in de vallei van Përmet.’ De brigade telde bij de oprichting 912 partizanen, vocht hevige veldslagen en bevrijdde acht steden en dertig provincies, waarbij grote schade werd toegebracht aan de vijand, aldus het opschrift. ‘In deze veldslagen stierven 162 partizanen heldhaftig’; hun namen staan op de wand van het gedenkteken naast een kaart van Albanië waarop de bevrijdingsoperaties schematisch staan aangegeven. In juni 1944 staken partizanen de Shkumbini over, de rivier die het land halverwege doorsnijdt, en rukten op naar het noorden. Ruim een half jaar na te zijn verkozen tot hoofd van de voorlopige regering marcheerde Hoxha Tirana binnen.

Wat volgde was een halve eeuw van steeds groter wordend isolement en een groeiende onderdrukking van de eigen bevolking. Het meest krachtige symbool van de paranoia van Hoxha zijn de betonnen bunkers die nog overal in het land zijn te vinden: langs wegen, op berghellingen, aan stranden en midden in stadsparken.

Terug in Tirana wandel ik op de laatste ochtend voor vertrek nog een keer van het Skanderbegplein langs de boulevard naar het bunkertje bij Blloku. Nu zie ik pas de resten van oranje verf en het vervaagde opschrift ‘ORANGE’. Ook deze bunker is beschilderd geweest na in onbruik te zijn geraakt, zoals de bunkers met smileys erop, of exemplaren die zijn veranderd in lieveheersbeestjes.

Nog verrassender is het monumentje op de andere hoek van het park waarin de bunker ligt. Na drie weken van bunkers, partizanen en oorlogsbegraafplaatsen geeft het een onverwacht, nieuw beeld van Albanië. Bij een speeltuintje staat op een sokkel een plaquette met opschrift ‘House of Life’, een initiatief van de International Raoul Wallenberg Foundation. De stichting heeft Albanië uitgeroepen tot ‘House of Life’, als erkenning van de dappere Albanese mannen en vrouwen die hulp, onderdak en bescherming boden aan degenen die door het naziregime werden vervolgd. Volgens de plaquette is Albanië het enige door de nazi’s bezette land, dat niet alleen redding en bescherming bood aan de eigen Joodse gemeenschap, maar ook aan vluchtelingen uit buurlanden. Hierdoor was het aantal Joodse inwoners na de oorlog tien maal groter dan ervoor.

Verantwoording

Dit artikel is eerder verschenen in Archeologie Magazine, 2024 nr 5.

Enige informatie over partizanenbegraafplaatsen is ontleend aan het blog ‘Left side of the road’, geraadpleegd via https://michaelharrison.org.uk/; enkele gegevens over de bunkers zijn overgenomen uit het boekje ‘Between Glory and Fall. Albania and the Industrial Experience’, een uitgave van het Centre for Albanian Cultural Heritage uit 2015.